Het originele verhaal van Geert is hier te lezen
Geert Rust zette zijn herinneringen aan het motorrijden op papier. Geen zorgvuldig gepolijste autobiografie, maar een verzameling verhalen zoals hij ze waarschijnlijk het liefst vertelde: met humor, relativering en een scherp oog voor mensen en machines. Zijn kinderen wilden graag dat die herinneringen een plek kregen. Terecht.
Want wie het verhaal van Geert leest, leest niet alleen over één motorrijder, maar over een complete generatie. Een wereld van tweetaktrook, Britse twins, sleutelen langs de weg, natgeregende vakanties en eindeloze ritten over het Groningse Hogeland. Een tijd waarin motorrijden nog iets rauws, avontuurlijks en soms licht onverstandigs had.
En misschien juist daarom zo mooi was.
Twee wielen waren genoeg
Sommige mensen vertellen verhalen.
Andere mensen zijn een verhaal.
Geert Rust hoorde duidelijk bij die laatste categorie.
Hij groeide op als zoon van een Groningse “autoboer”. Volgens zijn vader moesten goede voertuigen vooral vier wielen hebben. Maar Geert wist al jong dat echte vrijheid op twee wielen zat. Na de fiets kwam zo snel mogelijk de brommer. Eerst een Avaros, daarna een Typhoon en vervolgens een DKW Hummel, waar hij nog jarenlang met plezier aan terugdacht. Maar ondertussen groeide ook de droom van een “echte” motor.
“Een zware is je ware.”
In Groningen liep hij vaak langs de showroom van de Gremi, waar Moto Guzzi’s en vooral AJS’en stonden. Vooral die AJS-machines maakten indruk. De Groninger politie reed erop, en als zo’n zware twin door de stad trok, stond Geert ademloos te luisteren naar het geluid en de snelle schakelmomenten van die beroemde versnellingsbak.
De Heinkel die alles veranderde
Thuis probeerde Geert zijn vader enthousiast te krijgen voor zo’n motor, maar die dacht daar heel anders over. Tijdens een bezoek aan de showroom wees zijn vader slechts op een ingeruilde Heinkel Tourist-scooter.
“Daar zat tenminste nog wat voor als je een botsing kreeg.”
En daarmee was de discussie feitelijk voorbij.
De geliefde DKW werd ingeruild en Geert kreeg een Heinkel-scooter. Niet bepaald de droommachine van een jonge motorliefhebber, maar uiteindelijk zou juist die scooter zorgen voor een groot deel van zijn mooiste herinneringen.
Want de Heinkel was betrouwbaar. En Geert sleutelde graag.
Kleppen stellen, afregelen, luisteren of het motortje mooi regelmatig liep: hij kon daar zichtbaar van genieten. Met vriend Jaap trok hij eropuit richting Duitsland, bepakt met tenten, koffers en zoveel bagage dat de gewichtsverdeling van de scooter inmiddels meer op een experiment leek dan op verantwoord vervoer. Jaap zat comfortabel achterop tegen de stapel bagage aan, terwijl Geert moeite had het geheel op koers te houden.
Op een camping aan de Lahn ontmoetten ze Duitsers die zich slap lachten toen de Nederlanders hun spijkerbroeken met scheerzeep insmeerden en ermee het water in liepen om ze “te wassen”. De Duitsers hadden bovendien een prachtige bijnaam voor de Heinkel bedacht:
“Kackstuhl.”
Sleutelen langs de weg
Onderweg ging er uiteraard van alles mis. Bij de Drentse Hoofdvaart blies de scooter een bougie eruit doordat het schroefdraad kapot was gegaan. Met hulp van een sluiswachter werd de cilinderkop gedemonteerd, in een bus naar Groningen gebracht en door motorhandelaar Willem Stuut voorzien van een helicoil.
Daarna sliepen Geert en Jaap uitgeput in het gras naast hun tent, om de volgende ochtend alles weer in elkaar te zetten en verder te rijden alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Dat was het misschien ook wel.
Motorrijden betekende toen vooral: doorgaan.

Motorclub Martinistad
Via de Heinkel kwam Geert terecht bij motorclub Martinistad. Een wereld van BSA’s, Nortons, Engelse twins en sterke verhalen ging voor hem open. Tijdens een elfstedentocht bleek al snel dat een scooter moeite had het tempo van de zware motoren bij te houden. Dus haalde Jaap onderweg broodjes met vacuümverpakte braadworst uit de tas achterop en voerde hij Geert al rijdend.
“Gelukkig bestond toen het begrip integraalhelm nog niet.”
De scooter won uiteindelijk nog een beker voor de grootste afgelegde afstand, al hielp het waarschijnlijk dat zij de enige scooter waren.
De club zelf was minstens zo kleurrijk als de motoren. De voorzitter was ervan overtuigd dat motorrijden hoorde bij de arbeidersklasse en keek wantrouwig naar studenten en “kapitalisten” zoals Geert, wiens vader immers productiemiddelen bezat. Toch herinnerde Geert hem vooral als een buitengewoon aardige man die altijd klaarstond voor anderen.
Dat typeert Geert misschien wel het meest. Achter elke anekdote zat uiteindelijk mildheid. Zelfs wanneer hij mensen belachelijk maakte, deed hij dat met warmte.
Het Hogeland en de grote verhalen
De mooiste ritten werden gemaakt over het Groningse Hogeland of richting Drenthe, waar je vanzelf bij het TT-circuit van Assen terechtkwam. Daar ontstonden de grote verhalen. Volgens Geert werd er meestal meer met de mond geracet dan met de motor.
Vrienden reden op Norton Dominators met platte uitlaten, Aermacchi’s, Jawa’s en later Triumphs. Er werd eindeloos gesleuteld om machines sneller te maken, meestal zonder veel resultaat. Toch bleef het proberen. Een vriend bouwde een Jawa twin om tot caféracer. Een ander kocht een Triumph Thruxton die volgens Geert “met slippende koppeling weg moest rijden, maar eenmaal op toeren er op een gruwelijke manier vandoor ging”.
En altijd was er humor. Zoals die keer dat een vriend in een droge sloot verdween en na een lange schuiver met typisch Engels understatement constateerde:
“Ik geloof dat ik de bocht ben uitgegaan.”
De Japanners komen eraan
Zoals veel Europese motorrijders keek Geert aanvankelijk met enige argwaan naar de eerste Japanse motoren. Hij meende nog allerlei “inferieure zaken” te ontdekken aan Honda’s en Yamaha’s, terwijl hij Engelse en Duitse machines romantiseerde. Tot hij ontdekte dat een Honda Dream eigenlijk uitstekend reed.
Later volgden een BMW R69S, een Triumph Trident en uiteindelijk een Suzuki GT750 (de beroemde “waterbak”) waarmee hij dagelijks van Haren naar Oldenzaal reed. Die Suzuki maakte indruk door zijn souplesse en lage toerentallen.
“Mijn tweetakthart bloeide weer op.”
Ondertussen bleef het reizen doorgaan. Met vriend Jaap reed hij op vakantie naar Zuid-Italië. Jaap op een Laverda 750, Geert op zijn BMW. Onderweg kwamen ze in Oostenrijk in de regen terecht, gehuld in spotgoedkope rode regenpakken die Jaap voor één gulden per stuk had gekocht. Een aankoop die volledig paste bij diens legendarische zuinigheid.
Na korte tijd begonnen rode vlokken langs hen heen te waaien. Eerst dachten ze nog aan vlinders, maar al snel bleek dat de achterkant van de regenpakken simpelweg oploste in de regenwind.
Er werd vooral heel hard om gelachen.

Het ongeluk dat alles veranderde
Toch kende Geerts motorleven ook een harde kant.
Met een AJS Model 31 De Luxe kreeg hij een ernstig ongeluk toen een auto plotseling de weg opdraaide. Zijn linkeronderbeen kwam klem tussen auto en motor en ving de volledige klap op. De motor en de auto overleefden het ongeval met schade; voor Geert betekende het een jaar ziekenhuis en revalidatie én het einde van zijn droom om gymnastiekleraar te worden.
Wat opvalt in zijn verhaal, is dat hij ook hierover zonder zelfmedelijden schrijft. Geen dramatische beschrijvingen, geen bitterheid maar eerder dezelfde nuchtere toon waarmee hij ook over lekkende Nortons of uit elkaar vallende regenpakken vertelde.
Maar de gevolgen waren enorm. Hij moest opnieuw beginnen.
Afghanistan, of all places
Uiteindelijk koos Geert voor een studie Duitse taal- en letterkunde in Groningen en later in Münster. En zoals vaker in zijn leven bleef ook toen die nieuwsgierigheid naar de wereld zichtbaar. Waar anderen misschien veiligheid zouden zoeken, trok Geert juist verder weg.
Zelfs naar Afghanistan. Dat ene zinnetje aan het einde van zijn herinneringen zegt eigenlijk alles:
“Daarna vertrok ik voor ettelijke jaren naar het buitenland, naar Afghanistan, of all places!”
Juist die toevoeging: of all places! klinkt als pure Geert. Alsof hij zelf ook nog steeds verbaasd was over de onverwachte bochten die het leven had genomen. Misschien had motorrijden hem daar wel op voorbereid. Motorrijders van zijn generatie leerden improviseren, risico nemen, nieuwsgierig blijven en zich redden in onbekende situaties. Dat avontuurlijke zat diep in hem.
Zelfs nadat het ongeluk zijn leven letterlijk tot stilstand had gebracht.
Een verdwenen motorwereld
Wat Geert Rust uiteindelijk naliet, is veel meer dan een verzameling motorverhalen.
Hij beschreef een generatie die motorrijden nog moest uitvinden. Een tijd zonder navigatie, zonder beschermende elektronica, zonder sociale media en zonder lifestyle-imago. Motorrijden was toen vies, onpraktisch, lawaaiig, soms gevaarlijk en vaak volkomen onlogisch.
Maar ook:
vrij.
kameraadschappelijk.
avontuurlijk.
echt.
En daarom verdient het verhaal van Geert Rust precies datgene wat zijn kinderen ervoor hoopten:
Een plek.
Want in zijn herinneringen blijven niet alleen de motoren voortleven, maar ook de geur, de humor en de ziel van een verdwenen motorwereld. En sommige verhalen verdienen het simpelweg om te blijven rijden.



Wat een heerlijk verhaal en zo herkenbaar!
Motorrijden was nog puur en soms een uitdaging, maar altijd vrijheid. Toen kon ik in Den Haag nog vóór 10 gulden op het politiebureau een oefenvergunning ophalen, waardoor je in een bepaalde wijk mocht rijden. Niet dat we ons daar aan hielden. Och, toen was geluk heel gewoon:)
Ik ben ook begonnen met een oefenvergunning. Een L-bordje aan de kentekenplaat en rijden in het dorp. Reed ik een dorp verder werd ik van de weg gehaald door een Rijkspolitieman die mij en mijn motor herkende. Omdat ik naar een cursus van de brandweer ging, mocht ik gelukkig verder rijden zonder bekeuring
Recent een rij-instructie-dag gehad bij de KNMV. De instructeur, die van mij hoorde over de oefenvergunning zei, dat ik dus nooit rijles had gehad. Motorrijles is tegenwoordig sterk verbeterd, net als de prijs voor rijles.
Wat een prachtig verhaal, ik herken het uit lang vervlogen tijden. En zo ging dat vroeger, sleutelen langs de weg, verkleurd blauw ondergoed door regen onderweg. Wat zijn we gezegend met de huidige outfits voor motorrijders.
Als de naam Maarten onder beide foto’s wordt gewijzigd in Geert passen de afbeeldingen beter bij de personen.
Leuk om dit te lezen, ik ga er mee terug in de tijd. Mooi hoor. Dank u.
Fantastisch.
Dit zou gebundeld moeten worden, kaft er om heen en de winkel in!
Ik wil wel een exemplaar