Edwin en Nicolle

29-09-2026

Na een drukke periode zijn we er klaar voor. De motoren zijn bepakt, de kampeerspullen verdeeld en het doel ligt ergens heel ver naar het zuidoosten: Albanië. Hoe we daar precies gaan komen? Dat zien we onderweg wel. Eén ding staat vast: snelwegen proberen we zoveel mogelijk te vermijden.

Onze vakantie begint namelijk niet pas wanneer we Albanië bereiken. Die begint zodra we thuis wegrijden. Dat betekent op Hemelvaartsdag dus ook gewoon in de regen richting Duitsland. Regenkleding aan en gaan. Na onze reis door Roemenië vorig jaar, waar we temperaturen rond de 40 graden aantikten, ga ik in ieder geval niet klagen over een beetje nattigheid.

Geen snelweg is ook echt geen snelweg

De eerste dagen rijden we rustig Duitsland door. Binnendoor, uiteraard. Snelwegen willen we alleen zien wanneer we eroverheen, onderdoor of langs rijden.

Via Zierenberg, Würzburg en Landshut zakken we steeds verder naar het zuiden. Het tempo ligt niet bijzonder hoog, maar dat hoeft ook niet. Bossen, glooiende wegen, dorpjes met vakwerkhuizen en af en toe een verrassend goede motorweg maken het gebrek aan snelwegkilometers meer dan goed. We komen zelfs een stuk op de Romantische Straße terecht. Althans, in theorie. In de praktijk rijden we vooral lángs de romantische plaatsjes in plaats van erdoorheen

Kamperen doen we waar het uitkomt. De ene keer staan we op een bijna leeg trekkersveldje naast een Duits Hemelvaartsfeest, de volgende keer langs de Main met een spoorlijn aan de overkant. Onze nieuwe tent blijkt gelukkig snel op te zetten. Floep-floep, plop-plop en hij staat. Het inpakken vraagt iets meer oefening. Na inpakken, opnieuw inpakken en nóg een keer anders inpakken, begint ergens na een paar dagen een systeem te ontstaan.

Daar zijn de Alpen

Na drie dagen rijden verschijnen eindelijk de Alpen aan de horizon. We besluiten Salzburg links te laten liggen en richting het Virgental te rijden. Bij Kössen gaan we Oostenrijk binnen en bij het eerste tankstation krijgen we meteen een warm welkom. Nog voordat ik goed en wel van mijn motor ben gestapt, hangt de tankbediende al uit het raam voor een praatje.

We bestellen koffie en krijgen daadwerkelijk kopjes op een dienblad, compleet met bonbonnetjes en glazen water. Dat zijn we inmiddels niet meer gewend. Hij hoort dat we onderweg zijn naar Albanië en begint direct tips te geven voor Kroatië. Ondertussen schuift er nog een mevrouw bij ons aan omdat haar man de auto aan het wassen is. Zo kan een simpele tankstop ineens behoorlijk gezellig worden.

Die avond eindigen we op een kleine boerderijcamping in Virgen. Zestien plekken, bergen om ons heen en verder alleen het geluid van vogels, stromend water en een koeienbel. We zetten de tent zo neer dat we vanuit onze slaapzak naar de bergen kijken. Dit is waarom we binnendoor rijden.

Regen, haarspeldbochten en een lege gasfles

De volgende ochtend twijfelen we. Blijven we een dag omdat er regen en onweer wordt voorspeld? Rijden we 300 kilometer verder? Of stoppen we na 100 kilometer zodat we eens niet pas laat aan het koken zijn?

We kiezen natuurlijk voor ongeveer 300 kilometer. Dat worden er uiteindelijk 137.

Onderweg begint het precies te regenen wanneer we bij het leukste stuk met haarspeldbochten aankomen. Andere motorrijders trekken langs de kant hun regenkleding aan. Wij zijn inmiddels toch al nat en rijden door. Even later zitten we bij Cafe Ingeborg aan de Apfelstrudel en koffie.

Onze gasvoorraad blijkt ondertussen ongeveer net zo groot als wat er tegenwoordig nog uit Slochteren wordt gehaald, dus koken zit er niet meer in. Dan maar uit eten. De volgende dag moet er daarom één ding gebeuren: gas vinden. Dat klinkt makkelijker dan het blijkt te zijn.

De Wurzenpas en een humeur onder nul

Via de Wurzenpas rijden we Slovenië binnen. Geen bijzonder hoge pas, ruim duizend meter, maar wel eentje met hellingen tot 18 procent en een paar lekkere haarspeldbochten. In de regen.

We hebben geleerd dat het weer in de bergen weinig aantrekt van Buienradar, dus onze regenkleding gaat gedurende de dag meerdere keren aan en uit. Tegen de tijd dat we Ljubljana bereiken is de buitenkant van onze pakken droog, maar de binnenkant volledig doorweekt van het zweet.

Geen probleem, want hier zit een Decathlon en daar hebben ze precies het gasblikje dat we nodig hebben. Niet dus. Uitverkocht. Alsof dat nog niet genoeg is, besluit TomTom ons bij vertrek een paar rondjes rond dezelfde Decathlon te laten rijden. Uiteindelijk volgt er een noodstop langs de weg (de ABS werkt in ieder geval) en moet de navigatie even stevig worden toegesproken.

Sommige reisdagen zijn prachtig. Andere dagen moet je gewoon overleven.

We zijn moe en besluiten dat het tijd is om eens niet in een tent te slapen. In Grosuplje vinden we een appartement waar we onze motoren in de garage mogen zetten. Twee slaapkamers, keuken, luxe badkamer, balkon. Even helemaal niks. We komen tot de conclusie dat we misschien te veel tegelijk willen. Mooie wegen rijden, kilometers maken, lange pauzes nemen, rustig aan doen én vroeg ergens aankomen. Dat past simpelweg niet allemaal in één dag.

Bosnië: langzaam, prachtig en soms behoorlijk kapot

Een goede nacht slaap doet wonderen. In Novo Mesto vinden we eindelijk ons gasblikje en even later steken we Kroatië binnen. Via de Plitvicemeren komen we in Bosnië en Herzegovina terecht.

Daar verandert de reis.

We hebben besloten om richting het Komanmeer in Albanië bovenlangs te rijden: via Bosnië, Montenegro en Kosovo. Zo kunnen we op de terugweg grotendeels een andere route nemen. Bij de Bosnische grens staat de douanier net een sigaret te roken, dus we mogen doorrijden. Onze Nederlandse databundel houdt hier vrijwel op te bestaan, dus bij het eerste tankstation kopen we voor vier euro per persoon een simkaart, inclusief installatieservice door de tankbediende.

Daarna volgt bijna honderd kilometer waarin de uitzichten maar blijven komen. Grote open vlaktes, bergen in de verte en nauwelijks verkeer. Verkeersborden waarschuwen voor koeien, beren en herten. We zien vooral een paar wilde bosmaaiers. De wegen zijn op dit stuk verrassend goed. Dat verandert richting Sarajevo.

114 kilometer kan een hele dag duren

Op de dag van het Offerfeest proberen we richting Sarajevo te komen. Proberen, inderdaad.

Dorp na dorp na dorp volgt elkaar op. Vrachtwagens, trekkers en langzaam verkeer bepalen het tempo. Inhalen kan bijna nergens en na een uur hebben we ongeveer veertig kilometer afgelegd. Het voelt alsof iemand de route op halve snelheid afspeelt.

Een dag later bezoeken we de verlaten bobsleebaan van de Olympische Winterspelen van 1984. De baan ligt hoog boven Sarajevo en werd tijdens de oorlog gebruikt als militaire positie. Inmiddels is het een bijzonder monument geworden, vol graffiti en zichtbare sporen uit het verleden.

Daarna zetten we koers richting Montenegro. Op papier is het maar een klein stukje. In werkelijkheid rijden we wegen die meer op gaten met een beetje asfalt ertussen lijken. Los grind, afgebroken wegdek en haarspeldbochten waarbij je niet alleen moet kijken of er een tegenligger aankomt, maar ook of er überhaupt nog weg ligt.

Na veertig kilometer zijn we volledig gesloopt. Er staat ineens een koe achter een bocht. Ik hoor over de intercom: “Slang!” “Waar?” “Je reed er net precies overheen.” Oeps.

Als TomTom ons daarna ook nog een afgelegen grindweg opstuurd naar wat uiteindelijk helemaal geen camping maar een motorclub blijkt te zijn, is het mooi geweest. We vinden een pension in Goražde. Bed. Douche. Airco. Meer hebben we even niet nodig.

De mooiste wegen van Montenegro. Uiteindelijk.

De volgende dag rijden we opnieuw de Dinarische Alpen in. Bij een piepkleine Bosnische grensovergang komt een douanier uit een soort container gewandeld. Paspoorten laten zien, om de half verroeste slagboom heen rijden en verder.

Zes kilometer later komen we bij de officiële Montenegrijnse grenscontrole. De weg is dan nog steeds verschrikkelijk. Ik hoor Nicolle al jaren zeggen dat Montenegro de mooiste motorwegen van de Balkan heeft, maar ik begin voorzichtig aan die uitspraak te twijfelen.

Tot het asfalt ineens verandert.

Vanaf dat moment snap ik haar weer. Mooie, strakke wegen, snelle bochten en gigantische uitzichten. We rijden richting de Tara-kloof en eindigen bij een camping vlak bij de beroemde brug over de rivier. We krijgen een klein trekkershutje, hangen de hangmatten op en doen even helemaal niks.

Tot TomTom de volgende dag weer een plan heeft.

“Geen route mogelijk zonder onverharde wegen”

Die melding krijgen we bijna iedere ochtend wanneer we nog ergens op een camping staan. Meestal omdat er drie meter gras tussen onze motor en het asfalt ligt.

Vandaag meent TomTom het serieus.

Google Maps geeft een wegafsluiting aan en dus proberen we zelf een alternatief te bouwen. Eerst asfalt, vervolgens grind en daarna een hek. Een automobilist uit tegenovergestelde richting zegt dat we gewoon verder kunnen. Als we het hek maar weer achter ons dichtdoen. Dat klinkt achteraf eigenlijk al als een waarschuwing.

Voorbij het hek wordt het slechter. Wanneer we bovenaan een steile grindhelling staan besluiten we om te keren. Naar beneden komen lukt misschien nog wel, maar waar we daarna terechtkomen weet niemand. Met vereende krachten draaien we beide motoren op de helling om. Eenmaal terug op asfalt kan ik de grond bijna kussen.

Maar we zijn nog lang niet klaar.

 

25 kilometer stof

Later die dag begint opnieuw een onverhard stuk. Geen paar honderd meter dit keer. Ongeveer 25 kilometer.

Vrachtwagens trekken enorme stofwolken op en soms zien we bijna niets meer. Onze gemiddelde snelheid ligt rond de 25 kilometer per uur. Wanneer we uiteindelijk Berane binnenrijden zien we eruit alsof we uit een zandstorm komen.

Daarna moeten we nog de bergen in. Steil. Heel steil. Eerste versnelling, voorover op de motor en gaan. Bocht na bocht kruipen we omhoog. We hebben telefonisch contact met de eigenaar van ons onderkomen, maar verliezen steeds vaker bereik.

Als we denken dat we er bijna zijn blijkt er nog kilometers weg voor ons te liggen. Dan volgt het laatste gravelpad. Steil omhoog. Nicolle probeert het, glijdt weg en valt. Klaar.

De eigenaar Marko komt naar beneden en vraagt via Google Translate of we onze motoren veilig beneden willen achterlaten. Hij brengt ons met de auto verder naar boven. Volmondig ja.

Dat blijkt de juiste beslissing. Vanuit de auto zien we pas hoe steil en slecht de laatste kilometers zijn. Met onze motoren en banden waren we daar nooit fatsoenlijk gekomen. Maar boven wacht een soort droom. Op ruim 1400 meter hoogte staat een prachtig houten huisje. Binnen brandt een kacheltje en even later staat de tafel vol eten.

De temperatuur buiten is ongeveer tien graden. Een paar dagen later rijden we bij meer dan dertig graden rond. De Balkan.

Koeien hoeven geen verzekering

De volgende ochtend brengt Marko ons terug naar de motoren. Alles staat er nog precies zoals we het achterlieten.

We dalen af richting Andrijevica en zetten koers naar Kosovo. Bij de Kosovaarse grens blijkt onze voertuigverzekering daar niet geldig te zijn. Vijftig meter terug kunnen we voor tien euro een verzekering voor vijftien dagen afsluiten. We zijn niet de enigen. Oostenrijkse en Roemeense motorrijders staan met hetzelfde probleem bij het hokje.

Terwijl wij onze administratie regelen komt een kudde koeien voorbij. Die mogen zonder verzekering de grens over.

Eenmaal in Kosovo voelt het alsof we aan de GP van Kosovo deelnemen. Chicanes, haarspeldbochten, rood-witte vangrails en reclame tegen de bergwand. We dalen door de Accursed Mountains af richting Pejë. Wat een heerlijke weg. En vooral: wat een prachtige uitzichten.

Eindelijk Albanië

Een dag later is het zover. Albanië.

Bij de Kosovaarse grens wordt alles nog uitgebreid gecontroleerd. Paspoort, kentekenbewijs, groene kaart. Bij de Albanese grenspost zien we vervolgens niemand. Alleen koeien.

Die hebben de volledige rijbaan richting Albanië ingenomen, dus rijden we via de uitgang het land binnen. Welkom in Albanië.

Vrijwel direct volgt het ene ‘aah’ na het andere ‘ooh’. Gigantische bergen, diepe valleien en een landschap waarin je jezelf ineens heel klein voelt.

Na slechts 44 kilometer stoppen we in Fierzë. Dat is bewust, want de volgende dag staat één van de onderdelen van deze reis op het programma waar we het meest naar uitkijken: de ferry over het Komanmeer.

Drie uur stil worden

De boot vertrekt pas rond één uur ‘s middags. Onze motoren staan benedendeks, vlak naast de stampende dieselmotor. Ze bewegen drie uur lang alsof ze zelf ook nog aan het rijden zijn. Wij trekken onze motorkleding uit en staan in korte broek en slippers op het dek.

En dan gebeurt iets wat tijdens een motorreis eigenlijk niet zo vaak gebeurt. We zijn stil.

Het Komanmeer slingert tussen gigantische rotswanden door. Water, bergen en af en toe een huisje op een plek waarvan je je afvraagt hoe iemand er ooit is gekomen. Foto’s doen het nauwelijks recht.

De reis van de afgelopen weken komt onderweg ineens een beetje binnen. De slechte wegen, grindhellingen, vermoeidheid, momenten waarop we onszelf even tegenkwamen en vooral de dingen waarvan we vooraf misschien gedacht hadden dat we ze niet konden. Maar we deden het toch.

Drie uur later verschijnt de dam en moeten we ineens opschieten om onze motorkleding weer aan te trekken. De boot af, tunnel in en meteen achter een rij campers die nauwelijks vooruitkomt omdat het asfalt praktisch ophoudt te bestaan. Welkom terug in de werkelijkheid.

Met een offroadmotor was dit leuker geweest

We weten al dat de eerste twintig kilometer de volgende dag onverhard zijn. Het blijken er ruim dertig. Over de eerste 32 kilometer doen we vijf kwartier.

Het uitzicht over het water en de bergen blijft prachtig, maar met onze motoren is het vooral hard werken. “Met een offroadmotor was dit leuker geweest”, is ongeveer onze gezamenlijke conclusie.

Daarna komen we voor het eerst in dagen weer in de echte bewoonde wereld. Rotondes. Zebrapaden. Winkels. Shkodër voelt na al die afgelegen gebieden bijna als Bangkok. Het verkeer krioelt alle kanten op en langs de weg staan overal kleine winkels en kraampjes.

Daarna rijden we Albanië alweer uit. Het voelt bijna te snel, maar dat is ook een beetje het idee achter deze reis. Albanië is het verste punt, niet de enige bestemming.

Terug via Montenegro en Bosnië

Montenegro verwelkomt ons opnieuw met bergen, vriendelijke mensen en temperaturen boven de dertig graden.

Vlak bij Podgorica belanden we op een camping die vanaf de weg weinig voorstelt, maar achter het hek verandert in een soort sprookjestuin. Terrassen, schaduwrijke hoekjes, een kikkerpoel, een boxer die alles in de gaten houdt en zelfs een schildpad die onze gevallen stukjes tomaat opruimt. De eigenaar vertelt ons waar de zon de volgende ochtend opkomt zodat we onze tent zo koel mogelijk kunnen houden.

Dat soort gastvrijheid komen we onderweg steeds opnieuw tegen.

Van Montenegro rijden we weer Bosnië binnen. Ook daar blijven de wegen verrassen. Soms perfect asfalt, soms een stuk waar de doorgaande weg door een bouwterrein lijkt te lopen. We eindigen aan rivieren, op kleine campings en tussen bergen waar de temperatuur eindelijk wat draaglijker wordt.

In Livno rijden we door een kilometers breed dal tussen twee bergketens. De wilde paarden lopen los in het landschap en tussen de dorpen staan nog altijd kapotte huizen met ontbrekende daken en muren. Stille getuigen van een oorlog die hier nog helemaal niet zo lang geleden woedde.

Het is iets wat je tijdens een reis door deze regio steeds opnieuw tegenkomt.

Langzaam weer richting huis

Bij de Plitvicemeren komen we opnieuw langs dezelfde herberg waar we op de heenweg al hebben geslapen. Dit keer hoeven we Booking.com niet eens te gebruiken. Rechtstreeks kost de kamer minder en we krijgen ook nog massagestoelen. Na alle kilometers, grindwegen en campings voelt dat ongeveer als een vijfsterrenresort.

Vanaf Kroatië trekken we Slovenië weer in. De echt hoge Balkanbergen verdwijnen langzaam uit beeld, maar gelukkig weet TomTom nog wat leuke weggetjes te vinden. Wanneer we bij Jastrebarsko voor de keuze staan tussen vijf minuten tijdwinst of onze oorspronkelijke route, kiezen we voor die laatste.

Goede keuze.

We schieten ineens omhoog tussen wijngaarden, wijnhuizen en bossen. De weg wordt steeds smaller en slingert daarna weer steil naar beneden. Het is precies zo’n weg waarvan je tijdens deze reis hebt geleerd dat vijf minuten extra reistijd helemaal niets zegt.

Nog één keer de Alpen in

Via Slovenië komen we weer in Oostenrijk. We liggen inmiddels op koers richting huis, maar als we toch bijna langs de Red Bull Ring komen kunnen we daar natuurlijk niet zomaar voorbijrijden.

Eerst krijgen we nog de Gaberlpas cadeau. Op 1551 meter hoogte staat de parkeerplaats bij de horecagelegenheid vol motoren. We drinken een extreem dure maar bijzonder lekkere ijskoffie, maken onze verplichte toeristenfoto’s en rollen daarna richting Spielberg. Een week later wordt hier de Formule 1 gereden en overal zijn de voorbereidingen al bezig.

We kunnen verrassend dicht langs het circuit rijden, soms zelfs tussen baan en tribunes door. Na koffie (uiteraard met een Red Bull in plaats van Fanta) en een bezoek aan de fanstore rijden we verder. Nog één keer Oostenrijkse bergwegen, nog één keer Alpen. Daarna wordt het landschap langzaam vlakker.

4.719 kilometer later

Via Deggendorf, Lichtenfels en Kassel gaan de laatste dagen vooral over kilometers maken. We missen de bergen nu al. Duitsland is mooi, maar na weken haarspeldbochten, bergpassen, kapotte wegen en eindeloze uitzichten voelt een glooiend Duits landschap ineens bijna vlak.

De laatste dag waait het hard. Af en toe worden we letterlijk een halve meter door onze rijstrook geblazen. Rond Münster wordt het landschap nog rechter en vlakker en dan komt de Nederlandse grens.

Onze laatste pauze houden we bij de McDonald’s in Enschede. Naast onze motoren parkeren een paar jongens hun trekker. Wie bin’n in Eanske.

Nog een klein stukje naar huis, waar pizza’s voor ons klaarstaan. Na 4.719 kilometer, ontelbaar veel bochten, meerdere grensovergangen, prachtige bergpassen, slechte nachten, goede nachten, gravelwegen, een valpartij, regen, hitte, koeien bij grensposten, een boottocht die we nooit zullen vergeten en meer gastvrijheid dan we ooit hadden kunnen verwachten, zitten we weer op de bank.

Moe, maar voldaan. We hebben ontzettend veel prachtige kilometers gereden. Sommige waren uitdagend en heel soms waren ze gewoon saai, maar eigenlijk hebben we van elke meter genoten. En misschien is dat wel precies waarom onze vakantie altijd begint zodra we thuis wegrijden.

Reacties

geef een reactie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *