Na een paar dagen rond het drielandenpunt van Duitsland, Polen en Tsjechië is het eindelijk tijd voor de rit waarvoor we eigenlijk gekomen zijn: een grote ronde door het Reuzengebergte. De weersvoorspelling ziet er goed uit, de BMW F650 Funduro staat klaar en de route voert langs de hoogste delen van het gebied.
Dat het ’s nachts flink heeft gespookt, merken we al snel. Op verschillende plekken liggen bladeren en takken op de weg en later zelfs resten van omgevallen bomen. De hulpdiensten hebben duidelijk hun best moeten doen om alles weer begaanbaar te krijgen.
Na Frýdlant draai ik de 290 op richting Hejnice. Voor me rijden drie Scania’s het bos in om bomen op te halen. Niet direct het verkeer waar je op hoopt als je een bochtige route hebt uitgezocht, maar de chauffeurs weten precies wat ze doen en houden er een behoorlijk tempo in. Vooral het stuk tussen Bílý Potok en Polubný blijkt een schot in de roos. Haarspeld na haarspeld slingert de weg door het bos omhoog. Achteraf gezien is dit misschien wel het mooiste stuk van de hele reis. En opvallend genoeg komen we hier nauwelijks andere motorrijders tegen.
De hoogte in
Na een korte stop bij het stuwmeer van Souš rijden we verder richting Špindlerův Mlýn, bij veel Duitsers nog bekend als Spindlermühle. Eerst over hogere vlaktes en daarna steeds verder het dal in.
Vanuit het dorp loopt één weg verder omhoog richting Erlebachova Bouda. Boven waait het hard en hangen donkere wolken rond de toppen. Terwijl beneden de temperatuur inmiddels aangenaam is, lopen hier toeristen in korte broek zichtbaar te verkleumen. Op de terugweg stoppen we een paar keer voor foto’s bij de kenmerkende witte brug en het stuwmeer. Daarna gaat het verder naar een van de weinige echte bergpassen van deze route: Malá Úpa, op de grens tussen Tsjechië en Polen.
Met ruim duizend meter hoogte is het geen Alpenpas, maar dat maakt hem niet minder leuk. Het asfalt kronkelt omhoog en op de top staan ineens aanzienlijk meer motoren. Tsjechen, Polen, Duitsers en opvallend veel Belgen blijken deze plek wél gevonden te hebben.
Zodra we Polen binnenrijden verandert ook het wegdek. Niet ten goede. De vering van de Funduro krijgt het flink te verduren op wegen die soms meer uit reparaties dan uit oorspronkelijk asfalt lijken te bestaan. Aan het einde van de dag zijn we moe, maar voldaan. Dit is waarvoor we hierheen zijn gekomen.

Als het weer niet meewerkt
Een motorvakantie in de bergen betekent ook accepteren dat niet iedere dag een motordag wordt. De dagen daarna trekken meerdere regenzones over de regio en dus blijven de motoren een paar keer staan.
We gebruiken die tijd om de omgeving verder te verkennen. Met de smalspoor-stoomtrein rijden we vanuit Zittau richting Oybin, waar boven op de berg de resten van een oud klooster en kasteel liggen. Een dag later bezoeken we het geboortehuis van Ferdinand Porsche in Liberec en het Škoda Museum in Mladá Boleslav. Allemaal interessant, maar na een paar dagen begint het toch weer te kriebelen. We zijn hier tenslotte niet alleen voor musea gekomen. Wanneer het weer opnieuw opklaart, stappen we dus weer op.
Door drie landen in 180 kilometer
Omdat we aan het einde van de middag worden verwacht voor een barbecue, houden we de volgende rit relatief kort. Toch lukt het om in ongeveer 180 kilometer opnieuw drie landen aan elkaar te knopen.
Via Hainewalde en Großschönau rijden we richting Tsjechië en vervolgens naar Sebnitz en Bad Schandau in Duitsland. Dit gebied ligt tegen de Sächsische Schweiz aan en de wegen blijven maar slingeren tussen bossen, rotsen en kleine dorpen.
In Großschönau maken we nog een korte stop bij het Motor- und Technikmuseum, met een verrassend brede verzameling oude fietsen, brommers en motoren.
Bij Bad Schandau stoppen we onder meer bij een huis waarop de waterstanden van eerdere overstromingen van de Elbe zijn aangegeven. Sommige markeringen zitten bijna onvoorstelbaar hoog. De historische lift naar hoger gelegen Osterau slaan we over. Met de motor omhoog is tenslotte een stuk leuker. Via een hobbelige weg bereiken we een uitzichtpunt boven het dal.
Daarna rijden we via het toeristische Hřensko weer Tsjechië in en uiteindelijk terug naar Hartau. Geen enorme dagafstand, maar wel precies zo’n rondje dat laat zien waarom het drielandenpunt zo leuk is: je steekt voortdurend grenzen over zonder dat de omgeving ineens compleet verandert.
Naar Hell’s Mine
Voor de laatste echte motordag staat iets bijzonders op het programma: Pekelné Doly, beter bekend als Hell’s Mine.
In een voormalige mijn heeft een motorclub een ontmoetingsplek ingericht waar je zelfs met de motor naar binnen kunt rijden. Het klinkt als een passende afsluiting van deze reis. Alleen loopt de dag anders.
De voortekenen zijn er al vroeg. Bij het tankstation staat precies iemand aan de pomp die ik nodig heb. Later, bij de voormalige Zittwerke net over de Poolse grens, wil ik een foto maken van de motor voor het oude fabrieksterrein. Natuurlijk parkeert precies op dat moment iemand zijn auto midden in beeld.
Het echte probleem komt pas bij Hell’s Mine. De toegangsweg blijkt net van nieuw asfalt te worden voorzien en de hele locatie is afgesloten. Daar sta je dan. Een route voorbereid, bestemming uitgezocht, en alles dicht.
Geen bestemming blijkt ook een bestemming
In plaats van terug te rijden laat ik de navigatie ter plekke een nieuwe route berekenen. Eén voorwaarde: zoveel mogelijk bochten en hoogteverschillen.
Dat blijkt uiteindelijk geen slechte beslissing. We komen terecht op wegen waar we anders waarschijnlijk nooit gereden zouden hebben. Een helling van 22 procent, weggetjes van amper 1,80 meter breed en zelfs een brug waarop maximaal 2.800 kilo is toegestaan.
Geen bekende toeristische route, geen bestemming waar je per se naartoe moet. Gewoon rijden en kijken waar je uitkomt. En juist dat blijkt een van de leukste ritten van de vakantie.
Na ongeveer 330 kilometer staan we opnieuw bij hetzelfde Poolse tankstation waar we de afgelopen dagen al meerdere keren zijn geweest. De pomphouder herkent me inmiddels en geeft spontaan een klantenkaart voor korting bij een volgend bezoek. Waarschijnlijk zal ik hem nooit gebruiken, maar het zegt genoeg over hoeveel kilometers we hier inmiddels hebben gemaakt.
Nog één laatste ronde
De volgende dag regent het opnieuw en staat de motor alweer stil. We bezoeken nog wat plekken in de omgeving, pakken de spullen in en zetten de Funduro ’s avonds weer op de trailer. Daarmee zit het rijden in het Reuzengebergte erop.
De thuisreis begint de volgende ochtend vroeg in dichte mist en bij een temperatuur van slechts acht graden. Een paar uur later schijnt de zon volop en loopt de temperatuur richting de dertig.
Omdat de rit naar huis voorspoedig verloopt, maken we onderweg nog één stop bij het Glockenpalast in Gifhorn. Hier is sinds enkele jaren een Superbike Museum gevestigd met een opvallend brede collectie race- en sportmotoren. Geen museum vol met alleen de bekende Japanse en Italiaanse merken, maar ook motoren van framebouwers als Bakker, Egli en Harris. Veel machines hebben bovendien daadwerkelijk een raceverleden en zijn gesigneerd door hun voormalige rijders.
Een passende laatste stop voordat we Nederland weer in rijden.
Oldschool door het Reuzengebergte
Na bijna twee weken blijft vooral één conclusie hangen: deze regio verdient veel meer aandacht van motorrijders.
Het Reuzengebergte zal qua hoogte nooit met de Alpen concurreren. Dat hoeft ook helemaal niet. Je krijgt er kronkelende boswegen, haarspelden, kleine bergpassen, smalle binnenwegen en enorme verschillen in wegdek voor terug. Daarbij liggen Duitsland, Tsjechië en Polen zo dicht tegen elkaar aan dat je op één dag meerdere keren ongemerkt een grens passeert.
En dan is er nog de BMW F650 Funduro. 32 jaar oud, benzinekraan, choke, geen ABS en geen elektronische assistentie. Op een kleine olielekkage en een losse spiegel na heeft hij de hele reis probleemloos doorstaan.
Misschien is dat uiteindelijk wel het leukste aan zo’n reis. Geen perfecte wegen, geen gegarandeerd mooi weer en soms zelfs geen bestemming die open blijkt te zijn. Gewoon rijden, improviseren en kijken waar je terechtkomt.
Oldschool motorrijden dus. En dat blijkt in het Reuzengebergte nog verrassend goed te werken.







Vanuit NL richting Harz hier overnacht in hotel Spiegeltaler Eck in Wildemann. Vanuit hier de Harz verkent. In een woord prachtig!! Toen richting Polen. Overnachting in Oschatz in hotel Zum Schwan erg aan te bevelen. Zoals in vele kleine voormalig Oost Duitse stadjes is hier niet veel te beleven. Door richting Görlitz hier de grens over richting het Reuzengebergte. Een lunchstop in Jelenia Gora, wat een schitterende stad! Prachtig marktplein met mooie terrassen. Na de lunch door richting Skalny Stot. Een prachtige rit over prima wegen met ettelijke haarspeldbochten. Vanuit daar naar de Snezka in Tsjechië. Overnachting in een berghut Lysecinska bouda op een Tsjechisch skigebied. In de buurt van Horni Marsov. Prachtig uitzicht en eten wat de pot schaft. Was heerlijk!
Hier drie dagen verbleven en iedere dag schitterende rondritten gemaakt. Gravelpaden, zandwegen en uitstekend asfalt dus voor elk wat wils.
Terugweg via Turnov, Ceska Lipa, Otvice richting Duitsland. Overnachting in Weimar in Hotel Dorotheenhof. Prima hotel met een meer dan uitstekend ontbijt. Hier het voormalig KZ Buchenwald bezocht. Ben er nog van onder de indruk.
Vroeg op pad richting NL. Tussenstop bij autohof Guxhagen voor een smakelijke lunch. Tanken en vamos. Terug in NL waren we blij om op de motor te zitten. Wat een gekkenhuis met al die files. Rap er tussendoor richting thuisbasis. Gelukkig beschikt mijn motormaat over een groot privezwembad en daar hebben we londer het genot van een koude pils heerlijk afgekoeld.
Onze reisperiode was van 7 t/m 15 augustus en eigenlijk is dit te warm. Wij hebben besloten om niet meer in augustus op pad te gaan. Onze motoren waren: BMW GS 1200 Adventure en een Triumph Explorer 1200 XCA.
Conclusie, ga een keer richting het Reuzengebergte en begin in Polen. Prachtige wegen met ruim voldoende uitdagende bochten. Horecaprijzen zijn voor onze begrippen laag. Wij gaan zeer zeker nog een keer die kant op.